IN ALMOST EVERY PICTURE 13

– Erik Kessels

Edited and designed by Erik Kessels.

This is a short history of photography’s most common mistake: part of the photographer’s hand appearing in frame. These pages trace an error that hasn’t dimmed with the digital era, but appears as widespread now as it was back in the form’s black-and-white prehistory.

Our tour covers family snaps from the standard “say cheese” portrait to a straight-laced grandmother playing a very un­-straight laced game of poker. It encompasses holiday snaps and seventies hair and smiles soaked in decades-old sunshine. But whoever they are, whenever they are, our subjects are weirdly cropped by thumbs, sometimes fingers, occasionally a whole palm. Digits loom massive; mysterious blurs like a ghost or UFO drifting into shot.

Colour, 155 x 200 mm, 180 pages, soft cover.

IN ALMOST EVERY PICTURE 6

Erik Kessels

IN ALMOST EVERY PICTURE # 6

Collected & edited by Erik Kessels. Text by Christian Bunyan.

The impulse to mark our lives is universal. Start a diary, build a house, write a poem. The proliferation of online blogs in our own time is testament to the desire to cry, “Hey, I exist. This is me.”

By collecting and documenting her passport photographs over some sixty years, the woman in this book demarcated her life in black and white, declaring her existence (even if only to herself). It is difficult to imagine a more minimalist autobiography, a lifetime compressed into just 75 extremely similar photographs.

Black & white, 155 x 200 mm, 146 pages, soft cover.

Robert Frank ◊

In 1955 kreeg Frank, op voorspraak van Walker Evans, een fotograaf die bekendheid verwierf door zijn foto’s van het leven op het platteland tijdens de Amerikaanse Grote Depressie, een Guggenheim-beurs. Daarmee was hij in staat om, met zijn gezin, negen maanden door de Verenigde Staten te reizen en te fotograferen, en om vervolgens een jaar te besteden aan het ontwikkelen van de 767 films en het selecteren uit de 28.000 foto’s die hij maakte.

Zijn foto’s kreeg hij in Amerika moeilijk gepubliceerd. Life bedankte ervoor en de New York Times plaatste slechts één foto. Het boek dat hij samenstelde (een selectie van 83 foto’s) gaf hij dan ook in Frankrijk uit. Het maakte daar deel uit van een serie (de Encyclopédie essentielle) waarin het buitenland aan het Franse publiek werd gepresenteerd. Op 1958 verscheen zijn verzameling als Les Américains, met een maatschappijkritische tekst over de sociale geschiedenis van Amerika van Alain Bosquet. In 1959 verscheen het boek onder de titel The Americans ook in een Engelstalige editie. De tekst van Bosquet was in die uitgave vervangen door een Engelse tekst van de beat-schrijver Jack Kerouac, waardoor het de context van een sociale documentaire verloor.

Robert Frank had zowel technisch als inhoudelijk gebroken met de Amerikaanse fotografische traditie. Zijn foto’s waren niet zorgvuldig gekaderd, scherpgesteld en uitgelicht, maar korrelig, somber en onconventioneel van kadrering. Ook brak hij met de optimistische en energieke sfeer die uit de Amerikaanse fotojournalistiek van de jaren vijftig sprak. In plaats daarvan waren zijn foto’s weinig opbeurend. Hij rangschikte de foto’s in categorieën als “diners”, “jukeboxen”, “auto’s” en “mensen”, die volgens Frank symbool stonden voor het Amerikaanse leven. Verschillende hoofdstukken beginnen steeds met een foto van de Amerikaanse vlag. Binnen de hoofdstukken maakte Frank steeds gebruik van beeldsequenties: de foto’s zijn in een logische volgorde gerangschikt. Zo ziet een met een hoes bedekte auto er uit als een doodskist. Een pagina verder ligt onder een deken een lijk langs de weg: een slachtoffer van een verkeersongeluk. Ook is in The Americans het eerder door Frank toegepaste beeldrijm weer te zien. Frank fotografeerde met de blik van een buitenstaander: snel, onopvallend en soms zonder door de lens te kijken. Nu en dan is zijn schaduw in de foto te zien.

The Americans verscheen in een periode dat de Tweede Wereldoorlog nog vers in het geheugen lag, terwijl de Koude Oorlog een dagelijkse realiteit was. Frank schetste een pessimistisch beeld van Amerika, waarin hij racisme en armoede niet meed. Door conservatief Amerika werd zijn werk daarom slecht werd ontvangen. Van de eerste druk werden slechts 600 exemplaren verkocht. Critici beschreven Frank als “een vreugdeloze man die het land dat hem geadopteerd had haatte”. Anderen vonden dat Frank een goede fotograaf was van opzichzelfstaande beelden, maar een weinig overtuigende verhalenverteller.

Onder jonge kunstenaars werd het werk echter buitengewoon populair. The Americans kreeg een cultstatus. Veel fotografen, waaronder Garry Winogrand, Bruce Davidson en Diane Arbus zeggen sterk door The Americansbeïnvloed te zijn. Dat veel jonge fotografen zich door Frank lieten inspireren is merkbaar doordat zijn foto’s voor het tegenwoordige publiek niet meer schokkerend, en soms zelfs tamelijk alledaags, zijn.

Sinds 1959 werd het boek door verschillende uitgevers in diverse talen en op uiteenlopende formaten herdrukt. Soms gebeurde dat zonder dat Frank er inbreng in had, een enkele keer zelfs zonder zijn toestemming of medeweten. Een aantal keer was Frank bereid om bij een nieuwe uitgave het boek aan te passen, zodat nu en dan een foto werd vervangen door een andere. Door de jaren heen veranderde zijn visie op het onderwerp, waardoor hij elke verandering zag als een verbetering. Op 15 mei 2008 verscheen een jubileumeditie, in het formaat van de oorspronkelijke uitgave en met de oorspronkelijke (Engelse) inhoud.

◊ Wikipedia

Michael Wolf ◊

Turning Tokyo’s daily commute into Art. Michael Wolf  is a German photographer based in Hong Kong, hiswork is influenced by life and architecture of mega cities. “Many of his projects document the architecture and the vernacular culture of metropolises.”You can see a previous post on his seriesArchitecture of Density here. Michael Wolf’s exhibition ‘Paris Street View’ is running until December 15th at Kulturhaus Osterfeld in Pforzheim, Germany.

www.photo-michaelwolf.com

Zun Lee ◊

I can’t explain nor predict what exactly I’m looking for or who I’ll be drawn to as I roam the streets. It’s any combination of their personality, their energy, their appearance, etc. but subconsciously I know it’s deeper than that – and my subjects often know that, too.
It doesn’t matter whether they last a few seconds or several minutes, the encounters I experience share a common theme: Strangers will open up to me as if to say “I don’t have a clue who you are but I trust you”. And that’s invariably a two-way street: I have to give up my own secrets in order to receive theirs.
In reality, the people I photograph are therefore neither random, nor strangers. I find I gravitate towards them for a reason: The portraits often have an undercurrent of self-discovery and identity exploration, and so they’re every bit about myself as they are about the subject.

Link